Twee verloren zonen? Twee verloren zonen?
Als we naar de gelijkenis kijken van de verloren zoon uit Lucas 15, dan is onze blik vaak vooral gericht op de jongste zoon. Dat is de verloren zoon. Maar, is dat wel waar? Hij is weggelopen, hij is zoek geweest, maar hij is tot inkeer gekomen en hij kwam weer thuis. Hij is de verloren, maar gevonden zoon. Er is ook een oudste zoon. Hij die niet weggegaan is, maar thuis gebleven. Jezus vertelt deze gelijkenis aan de Farizeeën en Schriftgeleerden die kritiek hadden op Jezus, omdat Hij zijn tijd en aandacht gaf aan hoeren en tollenaars. Dat is toch geen volk waar je mee gezien wilt worden? Iemand die zichzelf respecteert, die houdt zich verre van dit soort mensen.
In zijn liefde wil Jezus hen uitleggen waarom Hij juist deze mensen opzoekt. En dat doet Jezus door het verhaal van de oudste zoon. Maar wie weet zijn we allemaal wel op een bepaalde manier oudste zonen en dochters. Misschien spreekt Jezus die keurige jongen aan die altijd heel braaf en plichtsgetrouw zijn best heeft gedaan. Hij is nog nooit uit de band gesprongen, er is gewoonweg niets op hem aan te merken. Jaar in jaar uit zit hij trouw in de kerk, helpt hij mee met de dingen die de kerk organiseert. Of dat meisje dat elke week naar de zondagsschool is gegaan en nu leiding geeft in de zondagsschool. Een fatsoenlijke christen waar anderen een voorbeeld aan kunnen nemen. Dat is het beeld van deze oudste zoon. En na een lange dag werken op het land van zijn vader, komt hij tegen de avond naar huis en hoort hij muziek en dansen. Hij informeert bij een knecht en hoort wat er aan de hand is. Hij neemt het zijn vader ernstig kwalijk dat die dit gedaan heeft. Aan het verhaal van de knecht te horen heeft zijn broer heel het bezit er doorheen gejaagd en toen is hij weer thuis gekomen. En vader, die grote dwaas, haalt hem binnen als een voornaam man en gaat feest vieren met hem. Dit is de wereld op zijn kop! Ik ga hier niet naar binnen.

Vader zoekt zijn zoon op waar hij is. Hij houdt ook van deze jongen en wil hem graag laten delen in zijn eigen vreugde. Dus ook hij probeert de jongen over te halen om naar binnen te komen.
En dan komt er naar buiten waarom de oudste zoon zo boos is. Hij vestigt de aandacht op zichzelf. Zie, zegt hij. Kijk naar mij. Ik heb altijd mijn best gedaan, jaren en jaren heb ik trouw voor u gewerkt. Maar ik heb er nooit een beloning voor gekregen. Wat zegt deze oudste zoon hiermee? Hij heeft zich altijd trouw ingezet voor het werken voor zijn vader en hij had verwacht dat hij daarmee iets extra’s zou hebben verdiend. Al het werk dat hij gedaan had, was niet omdat hij zoveel van zijn vader hield, maar omdat hij zelf gezien wilde worden. Wie staat er dan in het centrum van de aandacht? Niet de vader, maar hijzelf. Hij had net zo min als zijn jongere broer een relatie met vader en begreep er helemaal niets van dat vader nu zo blij kon zijn. Hij had er geen idee van dat zijn vader elke dag op de uitkijk stond of zijn jongste zoon thuis kwam. Nee, hij ging elke dag naar het land om zijn werk te doen. Hij ging elke week naar de kerk en ontmoette andere mensen van de kerk. Het verlangen van de vader om zijn jongste zoon terug te krijgen, was aan de oudste zoon voorbij gegaan. Wat die mensen buiten de kerk doen is niet belangrijk, die zijn toch verloren. Als hij in relatie met zijn vader had gestaan, dan was hij erop uitgetrokken om zijn broer te zoeken. In plaats daarvan heeft hij kritiek op zijn vader, en veroordeelt het feest dat vader nu geeft. Eigenlijk keurt hij de liefde en genade van vader af en vindt dat hij dat niet mag doen. De genade behoort mij toe en niet die zoon van u die uw bezit heeft verkwanseld. Ik heb het verdiend! Maar genade kun je toch niet verdienen? In al zijn boosheid wil hij zijn eigen broer niet meer zien als familie. Hij neemt afstand van hem, zoals de Farizeeën en Schriftgeleerden de hoeren en tollenaars ook niet meer wilden zien als volksgenoten, als broeders en zusters. En wij, zien wij de mensen die we tegenkomen in het leven, maar niet in de kerk of in onze kerk wel als broeders en zusters? Kijken we naar hen zoals God de Vader naar hen kijkt. Is er in deze gelijkenis niet sprake van twee verloren zonen? Van de jongste horen wij dat hij gevonden is, maar deze gelijkenis heeft een open einde. Of de oudste zoon uiteindelijk ook gevonden wordt, naar binnen gaat en zijn broer omhelst, blijft de vraag. Wat zouden wij doen, buiten blijven staan of met vader en onze broer feestvieren?

Rixt de Boer

 
terug